De bedelaarskolonie Ommerschans.

Uit het "Museum van de Vaderlandse Geschiedenis". Zie: www.ru.nl/ahc/vg/html/vg000185.htm

In de negentiende eeuw kreeg de Ommerschans, die voor die tijd een fortificatie ter bescherming van de zuidgrens van Groningen, Friesland en Drente was geweest, een nieuwe bestemming. In 1818 was door generaal Johannes van den Bosch het initiatief genomen voor een Maatschappij van Weldadigheid die tot doel had om het groeiend aantal paupers, bedelaars, landlopers, vondelingen en wezen op te voeden tot zedelijkheid en een eerlijk zelfbestaan, door hen onder te brengen in landbouwkolonies.

Met subsidie van Koning Willem I werden de eerste kolonies gesticht op de woeste gronden in zuid-oost Friesland, zuid-west Drente en het noorden van Overijssel. Daar ontstonden de kolonies Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Kenmerk van deze drie kolonies was dat men daar - weliswaar onder toezicht, maar toch in betrekkelijke vrijheid - zelfstandig kleinschalige landbouw kon uitoefenen. De kolonies kregen echter ook te maken met lieden die niet wilden of niet konden werken. Voor hen bedacht men een veel strengere kolonievorm, namelijk een waarin men onder dwang arbeid moest verrichten. Veenhuizen, in het noorden van Drente, was de grootste dwangkolonie van de Maatschappij; Ommerschans, in het noorden van Overijssel, een goede tweede. Deze kolonie kwam in 1822 gereed. Centraal stond het hoofdgebouw, een twee verdiepingen tellend kloosterachtig vierkant gebouw met een grote binnenplaats en met blinde buitenmuren van 100 meter elk. Dit hoofdgebouw was de verblijfplaats van 1000 tot 1200 bedelaars, die in zalen van 40 a 50 personen waren ondergebracht, naar sexe gescheiden. Over de binnenplaats was een houten hek aangebracht, waartussen wachters patrouilleerden. Op de binnenplaats, maar ook in een reeks van bijgebouwen, waren werkplaatsen ingericht waarin de arbeid moest worden verricht. Het ging daarbij om spinnen, naaien, weven, breien en verstellen voor vrouwen, en om klompen, schoenen en kleren maken voor mannen. Ook was er een smederij, een touwslagerij, een spijkermakerij en een timmerwerkplaats. Vanwege het ontsnappingsgevaar was het complex met een gracht omgeven, met op de hoeken veldwachtersposten. Buiten de gracht lag een twintigtal boerderijen, waar men, onder geleide van een detachement van 25 soldaten, landarbeid verrichtte.

De beloning voor arbeid was nominaal fl. 1.50 per week. Daarvan werd fl. 1,- ingehouden voor kost en werkkleding. De overige 50 cent werd uitbetaald in bonnen die buiten de kolonie geen waarde hadden en dus alleen besteed konden worden in de winkel van de kolonie. Wie niet in staat was om de hele dag te werken werd gekort op zijn uitkering; wie extra werk kon verzetten had de mogelijkheid om meer dan fl. 1.50 verdienen. Wie op deze wijze meer dan fl. 75,- had weten te sparen kon in aanmerking komen om vrijgesteld te worden uit de kolonie.

Ofschoon de kolonie opgericht was ter verheffing en beschaving van de kolonisten, heeft ze deze pretentie maar zeer gedeeltelijk kunnen waarmaken. Er was een schooltje annex onderwijzerswoning op het terrein, maar omdat ook kinderen geacht werden geld te verdienen, en dus te werken, kwam er van schoolgaan niet veel. Ook met de beoogde zedelijke verheffing was het droevig gesteld: het aangebrachte hek tussen de mannen- en vrouwenverblijven, waardoor ook echtparen van elkaar gescheiden waren, had geen enkel effect; volgens bezoekers van de kolonie waren de meeste meisjes zwanger.

Aangezien het aantal overplaatsingen uit de "vrije" kolonies achterbleef bij de prognoses, werd al snel een actiever beleid gevoerd om kolonisten naar Ommerschans te krijgen. In 1823 loofde de overheid een premie van fl. 40,- uit voor iedere bedelaar die naar de schans werd gezonden.

Financieel bleken de dwangkolonies van de Maatschappij van Weldadigheid niet op eigen benen te kunnen staan. In 1859 werd het beheer van Veenhuizen en Ommerschans door de regering overgenomen. In 1890 werd de Ommerschans voor afbraak verkocht. Sommige boerderijen werden verkocht aan de bewoners, andere werden, samen met grote stukken grond, enige tijd later gevoegd bij "Veldzicht", een opvoedingsgesticht voor jongens dat in 1894 was opgericht.

Literatuur:
J. Drent, Bijdrage tot de geschiedenis van Avereest. Dedemsvaart 1978;
K.D. Hartmans, "Uit de geschiedenis van de Ommerschans", Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging van Overijssels Regt en Geschiedenis, 45ste stuk, 2de Reeks, 21ste stuk, 1927, 26-39;
C.A. Kloosterhuis, De kolonies van Weldadigheid. Zutphen 1981.

Onno Boonstra
Nijmegen, 9 mei 2000